Van idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek naar idee naar boek

'Girls' van Sasja Janssen

.

.

Sasja Janssen hield een lezing tijdens de boekpresentatie van Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka's bij boekhandel Donner te Rotterdam (vrijdag 6 maart 2026). Erik Lindner en Iduna Paalman volgden. Hun lezingen verschijnen binnenkort op Webfilter.

Ik weet niet precies hoe het werkt, waar je oog op valt, als je een bloemlezing voor de eerste keer openslaat. Zoek je naar verwantschap of hoop je op de ervaring van het andere, het nieuwe, zodat er een wereld wordt ontsloten die je nog niet kende? Na wat anlesen van de omvangrijke, fraaie bloemlezing Mondruimtes & matroesjka’s keerde ik terug naar de reeks ‘Girls’ van Ulrike Draesner, en vond sporen van mijn eigen taal en ritme.


Forsythias die knalgeel, nog bladloos, dobbelen voor haar

het uitbotten van de bomen, wat n april.
wat voor een mager gezegen, kastanjes
botten uit op autochroom, wat
voor een mager geregen, knalgeel
de forsythia’s, wat voor geblader
voor wat –

bosjes. droefogen. aan
scheuten die los. die niet.
regen dan die gutst. zon

beetje door ’n vreemd woud liep
ik met die vreemde witte

bloemen, die te kleine voeten:
enkeldiep het blikken dat
ontbreekt.

meisjeshoogte, andere
cut. forsythia op borst
hoogte, huppelende pony
op het voorhoofd – geknipte
coupe, de gedachte aan jou
als je net als nu daar achter
zwaait, vader, in jouw schors
groen dat opkomt.

forsythias, die knalgeel, nog bladloos,
dobbelen voor haar, voor de bosrand, die kantelt.
gele lucifers, verder niets.

touchpad voorhoofd. klikt de gaten
van het bos aan. ‘jij bestaat
niet meer voor mij,’ heb je gezegd.
stof op het autochroom. de regen. mijn
voeten zitten in schoenen die knellen.
het uitbotten van de bomen. niets keert weer.

.

Ik werd getroffen door de kleine voeten, de kleine witte bloemen, het woud, maar vooral werd ik geraakt door het uitbotten van de bomen, het geel van de forsythias aan de nog bladerloze struiken, het beeld van de vader in zijn schors, die samen verlatenheid uitademen. En dat is precies wat ik ervaar in het begin van de lente, aan het einde van februari en het begin van maart, nu dus, het moeizame uitbotten, de bijna fluoriserende krokussen die ineens uit de grond steken als soldaatjes, het helle voorjaarslicht dat als een tl-balk boven de nog zwarte kale bomen hangt, de lente die er nog echt niet is. Verlatenheid, en een gevoel van sterfelijkheid, opgeroepen door de jubelende ontkenning van de dood waar ik me bijna al mee had verzoend.

En dan het geel! Knallend nog wel. Een kleur die de laatste tijd vaker opduikt in mijn nieuwste gedichten, de kleur die mij verwart, aantrekt maar ook verstoot. Gedichten die allemaal over de dood lijken te gaan.

Kleur werd vanaf de achttiende eeuw onder invloed van de Engelse empiristen zoals bijvoorbeeld Locke beschouwd als secundaire kwaliteit, als iets wat enkel tussen de oren zat. Het waar­nemen van bijvoorbeeld geel was slechts een toestand van de geest, of later, in ons tijdperk van de neurologie: een vonkje in het brein. Newton onderscheidde 7 primaire kleuren, de zogenaamde Newtonschijf, waaronder de kleur geel, en verklaarde kleur als een fysisch verschijnsel van licht. Ik moet denken aan Goethe, die een eigen kleurencirkel ontwierp, en niet geloofde in Newtons idee dat wit licht alle kleuren bevat. Goethe verklaarde kleur vooral als iets dat ontstaat in de interactie tussen licht, duisternis en het oog. Volgens hem ontstonden kleuren wanneer licht en donker elkaar ontmoeten, vaak via een troebel medium, zoals mist, rook of glas. Zo ontstaan geel en rood wanneer licht door duisternis wordt bekeken, blauw wanneer duisternis door licht wordt bekeken. Misschien ben ik zelf wel dat troebele medium.

Goethe ontwikkelde ook een kleurenpsychologie, zo stond geel voor warmte, nabijheid en vrolijkheid. Zijn Farbenlehre uit 1810, die hij zelf hoger inschatte dan al zijn gedichten samen, had  invloed op kunstenaars als Kandinsky en Turner. Kandinsky, geel stond bij hem voor speelsheid en levendigheid, beschouwde kleur als muziek: ‘De kleur is de toets, het oog is de hamer, de ziel is de piano met haar vele snaren.’

Op de site van het Van Goghmuseum, waar op dit moment de tentoonstelling ‘Geel’ te zien is, wordt geel omschreven als verwarmend, uitbundig en stralend, gedurfd en opdringerig, soms zelfs ziekelijk, denk maar aan geelzucht, de gele gal, volgens  Galenus een van de vier lichaamssappen van de mens. Het was de lievelingskleur van Van Gogh: ‘Een zon, een licht dat ik, bij gebrek aan beter, alleen maar geel kan noemen – bleekzwavelgeel, bleekcitroengeel, goud. Wat is geel toch mooi!

Hoe kan ik het zo anders ervaren? Echoën soms oude, negatieve connotaties van geel in mij? Dat de kleur voor haat, jaloezie en lafhartigheid staat? Misschien slaat de kleur geel bij mij naar binnen, om mij zo aan mijn eigen sterfelijkheid te herinneren. Als de keerzijde van het overrompelende, opvlammende begin van het nieuwe leven in de lente.

Je kent vast het verschijnsel dat wanneer je zelf bijvoorbeeld een gele auto hebt gekocht, je opeens overal gele auto’s ziet (ik waag me niet aan het vooroordeel dat vrouwen niet geïnteresseerd zijn in merken maar wel in kleuren) zie ik nu geel in de poëzie, zoals bijvoorbeeld in een gedicht van Friederike Mayröcker (ook vertaald door Ton Naaijkens!), die voorstelt dat ik mijn ziel heel aan het eerste geel, misschien toch maar eens proberen vanmiddag:

Moge jouw ziel helen aan ’t vroege geel van ’n stammetje forsythia op
het land van ’n slaap die jou aan de hand ik bedoel in de ontvoering in ’n
woud in 1 schilderij van Lorenzo Lotto met gele sylfiden (muzen):gele
draden van voorlente in het struweel: gele bloemen in ’t woud van ’t woud daar
waar de eerste gele bloemen ontluiken

Ik weet het niet, misschien voel ik me meer thuis bij het somberder geel van Ingrid Jonker:

De dag kent een smalle schaduw
en de nacht gele kruisen
het landschap is onaanzienlijk
en het mensdom een rij kaarsen
terwijl ik jou herhaal

Zijn de gele kruisen de lichten in de nacht of bedoelt ze ook de dood? Of moeten we denken aan het beeld van Christus? Wij mensen bleke kaarsjes in een machtig landschap.
Het zinnelijke geel van Anne Sexton is, moet ik toegeven, aanstekelijk:

Als ze de zon opnieuw 
aanzetten, plant ik er kinderen
onder, verlicht ik mijn ziel
met een lucifer en laat haar zingen
(…)
schrijf ik een gedicht met als titel Geel en 
zet het aan mijn lippen om het op te drinken

Bij mij staat geel toch voor de samenballing van dood en leven, misschien zoiets als wat een gedicht voor mij betekent:

Die nacht dacht je aan dit toekomstige gedicht
een openbaar geheim, dat jaren later uit het papier springt
als een groot geel vlak, een bloesemend en stervend geel tegelijk

’Mich interessiert die Verbindung von Sprache und Körperlichkeit’, zegt Ulrike Draesner ergens in een interview. Haar sterke ritmiek, de muzikaliteit van haar zinnen, de lichamelijkheid van haar taal, daar voel ik me aan verwant. En dan kan ik nu de sprong maken naar de andere 33 dichters. In ieder geval viel me meteen het lef op: wat een mooie experimenten, wat een abstractie, wat een concreetheid, wat een taalplezier, wat een zintuiglijkheid, wat een details. Wat een rijkdom dat deze gedichten nu in het Nederlands zijn verschenen, want wij kunnen daar wat van leren, behept als we zijn met het waanidee dat een gedicht toegankelijk moet zijn. Klare taal, die bewaar je maar voor je handleidingen, maar in poëzie is taal oneindig meer gekleurd om zo veel mogelijk te kunnen zeggen over dat waarover het in heldere taal moeilijk spreken is.

Dank voor uw aandacht.

Foto's Martien Frijns